
Infrarood Sauna
Infraroodlicht is warmtestraling, licht met een golflengte langer dan het
zichtbare rode licht, met de eigenschap dat de in de straling aanwezige energie
wordt omgezet in warmte.
De golflengte van het nog net voor ons oog zichtbare licht is rood, met een
golflengte van ongeveer 720 nanometer, iedere golflengte langer dan 720 nm.
valt in het gebied van het infrarode, dus warmteproducerende licht. Dit geldt
ook voor de warmte die in de saunacabine wordt uitgestraald door het warme
hout van de wanden en het plafond. Dit licht wordt geproduceerd met een oppervlaktetemperatuur
van ongeveer 100 graden Celsius en heeft een golflengte van meer dan 6000
nm. (IR-C licht)
De warmte die wordt uitgestraald door infraroodstralers van ceramiek (zwarte
stralers, dit zit in de goedkopere cabines) heeft een golflengte van 3000
tot 5000 nm.(Gedeeltrelijk IR-B en IR-C) Dit licht verwarmt de huid zeer oppervlakkig,
met een doordringing van minder dan een halve millimeter.
De opwarming van de huid in een sauna is dus slechts oppervlakkig, daarom
kunnen wij deze warmte ook, met behulp van de verdamping van het geproduceerde
zweet, goed verdragen.
Infrarood met een kortere golflengte (IR-A tot en met het grensgebied van
IR-B, bij ongeveer 1400 nm.) heeft een veel diepere inwerking in de huid,
vaak tot 6 millimeter diep. De warmte die daar wordt geproduceerd kunnen wij
niet voelen omdat de receptoren voor warmte en koude meer aan de oppervlakte
liggen. Met wordt met deze straling, (die te vergelijken is met die uit een
barbecue), dus intenser verwarmd dan men voelt.Dit is, bij een gepast gebruik
niet gevaarlijk en het is de enige vorm van warmtestraling die ook effectief
is bij bestrijding van pijntjes, zoals spierpijn en vormen van reuma. Voorzichtigheid
is hierbij geboden, niet te lang en met een gepaste afstand.
In de meeste sauna’s heeft men deze stralers op een voldoende afstand
geplaatst om bij een gebruik van niet langer dan 10 minuten geen problemen
op te leveren.
In een sauna moet men afkoelen na iedere vorm van warmtetoepassing, bijvoorbeeld
na de sauna , het stoombad, het bubbelbad en natuurlijk ook na de infraroodcabine;
het lichaam moet eerst weer terugkomen op de normale temperatuur alvorens
aan het volgende bad te beginnen. Omdat de verwarming in de infraroodcabine
en in het warme bubbelbad het meest effectief is, moet daarna ook in verhouding
het meest intensief worden afgekoeld. Een luchtbad, onderdompelen in het koude
dompelbad en het zwembad, heeft meer dan voldoende effect. Als men echter
niets zou doen om af te koelen, dan kan de normalisering van de temperatuur
ook veel langer duren, maar dat is in een sauna niet gebruikelijk.
Bij alle baden geldt natuurlijk de stelling dat men alles met mate moet doen
en goed naar het eigen lichaam moet luisteren, als men zich na het saunabad
niet lekker fit voelt zou het wel eens kunnen zijn dat men zich niet voldoende
heeft afgekoeld.